Begrip “loon over een maand”

Begrip “loon over een maand”

De Wet op de loonbelasting kent een ruim loonbegrip. Volgens de wet is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten. Wel zondert de wet bepaalde uitkeringen uit van het loonbegrip. Het gaat om eenmalige uitkeringen ter zake van overlijden van de werknemer of zijn partner, voor zover deze niet hoger zijn dan driemaal het loon over een maand. Ook jubileumuitkeringen die worden toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na een diensttijd van ten minste 40 jaar vallen niet onder het loonbegrip, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.

De vraag in een procedure voor Hof Den Haag was op welke wijze het loon over een maand moet worden berekend. Meer specifiek ging het om de vraag of een individueel keuzebudget van de werknemer onderdeel vormt van het loon over een maand.

Volgens het hof omvat het loon de maandelijks opgebouwde aanspraak op het deel van het individueel keuzebudget dat correspondeert met de vakantietoeslag waarop de werknemer op basis van zijn dienstverband en de arbeidsvoorwaardenregeling onvoorwaardelijk recht heeft.

Het hof oordeelde verder dat het loon over een maand 1/12e deel is van het overeengekomen vaste bruto jaarloon, inclusief het op grond van de arbeidsvoorwaardenregeling toegekende en maandelijks opgebouwde deel van het individuele keuzebudget dat betrekking heeft op de vakantietoeslag. Het feit dat de voormalige vakantietoeslag op een vast moment in het jaar werd uitbetaald en het daarmee corresponderende deel van het keuzebudget per maand ter beschikking wordt gesteld en kan worden aangewend, maakt niet dat er iets is gewijzigd in de hoogte van en de aanspraak op een met het voormalig vakantiegeld corresponderend bedrag aan loon.

Ten behoeve van het bepalen van de vrijstelling inzake de overlijdens- en jubileumuitkeringen moet bij het vaststellen van het loon over een maand 1/12e deel van het jaarlijkse toegekende bedrag aan individueel keuzebudget worden genomen.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20201315, BK-19/00244 | 06-08-2020