Ontslag tijdens proeftijd

Ontslag tijdens proeftijd

Wanneer in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is bedongen, geldt dat zowel de werkgever als de werknemer bevoegd is de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen zolang de proeftijd nog niet is verstreken. De in het Burgerlijk Wetboek opgenomen opzegverboden zijn gedurende de proeftijd niet van toepassing. Opzegging tijdens de proeftijd is niet toegestaan als de opzegging in strijd is met het verbod op discriminatie.

Het is de werkgever niet toegestaan de arbeidsovereenkomst te beëindigen vanwege het feit dat een zwangere werkneemster niet beschikbaar is voor het verrichten van arbeid. Daaronder valt ook de afwezigheid door ziekte samenhangend met de zwangerschap. Als de werkneemster gemotiveerd stelt dat sprake is van discriminatie vanwege zwangerschap, moet de werkgever bewijzen dat de opzegging niet samenhangt met de zwangerschap.

In een procedure over ontslag tijdens de proeftijd oordeelde de kantonrechter dat de werkneemster voldoende feiten en omstandigheden had gesteld voor het vermoeden dat haar zwangerschap de reden was voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werkneemster deelde de werkgever mee dat zij vanwege aan de zwangerschap gerelateerde klachten langere tijd niet zou kunnen werken. In reactie daarop heeft de werkgever de werkneemster uitgenodigd voor een gesprek. Tijdens dat gesprek, dat enkele dagen later plaatsvond, is de werkneemster ontslagen. Het tijdsbestek tussen de bekendmaking van de langdurige afwezigheid en het ontslag was zeer kort. De kantonrechter heeft de werkgever in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat niet in strijd met het discriminatieverbod is gehandeld.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBROT20201001, 8152906 VZ VERZ 19-19906 | 20-02-2020