Uitleg vaststellingsovereenkomst

Uitleg vaststellingsovereenkomst

Na de afloop van het dienstverband tussen een werkgever en een werknemer sloten zij een vaststellingsovereenkomst. De overeenkomst werd gesloten ter beëindiging van een geschil over onder meer door de werknemer gewerkte en niet uitbetaalde overuren. De werkgever verklaarde in de overeenkomst een bedrag aan vergoeding te zullen voldoen aan de werknemer, zonder nadere omschrijving van de aard daarvan. In de vaststellingsovereenkomst verleenden partijen elkaar over en weer finale kwijting.

De werknemer startte een procedure omdat de vergoeding naar zijn mening had moeten worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en niet als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daardoor zouden ten onrechte over de vergoeding geen werknemerspremies zijn afgedragen, met financiële schade voor de werknemer als gevolg. De werknemer meende dat de werkgever de vaststellingsovereenkomst niet op correcte wijze was nagekomen.

Hof Den Bosch stelde voorop dat de uitleg van de vaststellingsovereenkomst moet geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltexcriterium. De betekenis moet worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en van wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De bewijslast voor de niet correcte nakoming van de overeenkomst lag bij de werknemer. Het hof stelde vast dat in de overeenkomst niet is vermeld dat de overeengekomen vergoeding betrekking heeft op gewerkte overuren. Concrete uitlatingen of overige gedragingen van de werkgever, waaruit zou blijken dat de vergoeding wel op overuren betrekking had, ontbraken. Het hof nam in aanmerking dat de werknemer bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst rechtsbijstand heeft gehad van een advocaat. Aanknopingspunten voor het oordeel dat het voor alle partijen duidelijk was dat de overeengekomen vergoeding diende te worden gekwalificeerd als nabetaling van achterstallig loon waren er niet.

Het hof heeft de vordering van de werknemer afgewezen.

Bron: Hof Den Bosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20203236, 200.263.442_01 | 19-10-2020